Dé referentie voor kortfilm

Interview met VAF-Intendant Pierre Drouot

Eind april stelde het VAF in de Brusselse Beursschouwburg zijn jaarverslag 2007 voor. In de marge daarvan deed het Fonds een verrassende mededeling: de Wildcards worden vanaf dit jaar niet meer op Het Grote Ongeduld uitgereikt, maar wel op het Internationaal Kortfilmfestival Leuven. Kortfilm.be vroeg zich af waarom en vond de tijd ook rijp voor een evaluatie van de Wildcards: hoe loopt het na enkele jaren met de instant subsidies voor net afgestudeerde filmstudenten? Wij legden ons oor te luister bij big chief Pierre Drouot.

Meneer Drouot, hoe zijn de VAF Wildcards eigenlijk tot stand gekomen?

Het idee kwam oorspronkelijk van Karla Puttemans, die nu hoofd creatie is bij het VAF en toen adjunct van de directie, van Luckas Vander Taelen dus. Ik werkte toen al op het VAF als coach. Wij kampten met een probleem: wat doen we met de studenten? Daarom hebben een reeks vergaderingen gehad met de verantwoordelijken van de scholen. Dat wij hen samenkregen, vonden zij op zich al een hele verwezenlijking. Maar het eigenlijke doel, een samenwerkingssysteem uitdokteren, dat is mislukt. We wilden bijvoorbeeld materiaal van de scholen ter beschikking stellen van de afgestudeerden. Dat bleek ontzettend moeilijk. Het lukt misschien voor studenten apart, als zij met een Wildcard op zak bij een school aankloppen voor specifiek materiaal. Maar een structurele oplossing negotiëren is moeilijker dan een individuele. Wat doe je bijvoorbeeld met verzekeringen als je uit die schoolse context stapt? Goed, Karla heeft toen bedacht: doe zoals in het tennis. Reik Wildcards uit: voorrang omwille van uitzonderlijke kwaliteiten. Zo is het gegaan, de besprekingen met de scholen zijn dan ook stopgezet.

Wat schuift dat, zo'n Wildcard?

Het beschikbare budget was 240.000 euro, opgedeeld in 120 voor fictie en 120 voor documentaire. We reikten eerst voor elke categorie twee Wildcards uit, want de documentaire sector wou evenveel per Wildcard als voor een fictiefilm. Een heel principieel standpunt, want meestal kost een documentaire minder geld. Statistisch gezien toch, er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen. Bij de evaluaties nadien stelde het Documentair Platform zelf vast dat die houding te rigide was. Daarom hebben we in het tweede jaar drie documentaires bekroond, telkens met 40.000 euro.

Hoe gaat de keuze van de winaars precies in zijn werk?

Het principe is simpel. We stellen een jury samen en bekijken de films, de jury delibereert en we reiken de Wildcards uit. We steunen jonge filmmakers dus op basis van hun voorbije merites, niet op basis van beloftes uit een dossier. De steun bestaat uit de geldprijs en individuele begeleiding door een coach.

Wie kiest die coach?

Niet het VAF. De keuze hangt van persoon tot persoon af. Wij geven soms wel wat raad en brengen mensen met elkaar in contact, maar dat is niet onze officiële taak. We vertrekken altijd van de wens van de winnaar. Let op, je kunt ook meerdere coaches krijgen! Het is een fictief voorbeeld, maar stel dat Joost Wynant van De Laatste Zomer had gezegd: mijn scenariocoach is ook mijn producent (Frank Van Passel, red.), dus ik wil een derde persoon die bij de regie coacht en mij bijstaat als er spanningen zouden zijn - zoals wel vaker tussen regisseur en producent? Dat had gekund. Van coach wisselen kan ook.

Als de coach is gekozen en het Wild Card project is opgestart, wat is dan nog de rol van het VAF? Volgen jullie het project van begin tot einde op?

Neen. Het VAF is geen productieorgaan en gaat ook niet zelf op zoek naar extra middelen. De Wildcard is all the way. De winnaar kan zijn ding doen. De enige verplichting is het afleveren van tien minuten fictie. Punt. Wil je een halfuur maken, of een langspeler? Geen probleem. Wij komen niet tussen. Alleen… het contract is opgesplitst in twee schijven: 12.000 voor de scenariofase, 48.000 voor de productiefase. Als de regisseur in de scenariofase afkomt met een velletje papier waar drie zinnen op staan, dan zitten we met een probleem. Maar hij moet zich nooit verantwoorden voor een commissie. Er is dus wel een evaluatie, in de zin van: gaat het vooruit? Maar een kwalitatieve evaluatie is er niet.

De Wildcard bestaat nu drie jaar. Ziet u nog alternatieven voor dit systeem?

Alles is mogelijk. In Wallonië heb je bijvoorbeeld het systeem van ateliers, dat ik heel goed ken omdat ik negen jaar les gaf aan INSAS. Die ateliers zijn verbonden aan de scholen maar beschikken over een apart budget. Ze kunnen beslissen om een eindwerk extra ondersteuning te verlenen. De anderen krijgen een gewone schoolbehandeling, het klassieke curriculum van vierdejaarsstudenten. Meestal krijgen de meeste studenten wel iéts hoor. Maar de Waalse ateliers maken dus keuzes op basis van kwaliteit, het is eigenlijk een soort commissiesysteem. Maar daar gaat de samenwerking over de eindwerken van de scholen en blijft alles binnen het schoolse kader, terwijl de Wildcards daar buiten staan.

Een ander belangijk verschil met Vlaanderen is dat de eindwerken er ook echt helemaal worden gemaakt door studenten, terwijl hier professionals worden aangetrokken. In feite zijn bij de Vlaamse eindwerken vaak alleen de regisseur en misschien de kabelman nog studenten. Die films kosten dus ongelofelijk veel geld, dat maar al te vaak voorzien wordt door de ouders. De ene krijgt 20.000 euro van zijn rijke nonkel of tante en de andere niet. Dat is dus een probleem in het Vlaamse systeem: de omgeving is niet echt democratisch.

Maar let op, een regisseur moet natuurlijk ook over de capaciteit beschikken om fondsen te kunnen aantrekken, om mensen te overtuigen in zijn film te investeren. Het is dus niet éénduidig. Mensen als Stijn Coninx hebben voor een Vlaamse atelierwerking gepleit. Maar dan moeten die ateliers wel ergens geld vinden. Niet bij het VAF, want dat ligt buiten onze opdracht. Wij zijn off-school.

Houdt de Wildcard jury dan rekening met dat democratische deficit?

Neen, het principe is: wij kijken naar de films zoals we ze aankrijgen. We winnen soms wel informatie in bij de scholen. Zo krijgen we bijvoorbeeld soms de opmerking dat de film eigenlijk niet van de regisseur is, maar van zijn omgeving. Iemand die sterk is in filmdecors en de hele look heeft bepaald, of een zeer ervaren DOP die de hele film in handen nam. Maar dergelijke informatie ligt natuurlijk altijd moeilijk. Iedereen heeft zo zijn eigen verhaal. Luister naar vijf mensen en je krijgt vijf verschillende meningen over de productie van één film.

Weet je, ik heb ermee leren leven dat elk systeem zijn gebreken heeft (lacht). Wat je ook kiest, je wordt toch bekritiseerd. Democratie is geen goed systeem, maar verlicht despotisme ook niet. Enfin, als je een écht verlichte despoot zou hebben, mét talent, mét smaak, mét een standpunt… Maar in wiens ogen ben je verlicht? En wanneer ben je niet meer verlicht? (lacht).

De Wildcards werden vroeger uitgereikt op Het Grote Ongeduld, nu verhuizen ze naar Leuven Kort. Waarom?

Het was een kwestie van positionering. De studenten moeten de overgang naar de professionele context maken en daarvoor is het IKL iets interessanter, omdat het meer op het circuit na de school gericht is. Het Grote Ongeduld is iets studentikozer. Let op, dat doet niets af aan hun kwaliteiten. Maar het is een vertoningmoment van één avond en je hebt er screenings in verschillende zalen. Je kunt er dus niet alle films zien. Bij de switch naar Leuven hebben wij geëist dat er uitgebreide vertoningen zouden zijn van alle studentenfilms. Voor alle duidelijkheid: de keuze was niét tegen Het Grote Ongeduld, het was een kwestie van de juiste context.

Heeft het ook niets te maken met een Vlaamse reflex van de voogdijminister, zo’n overstap van het tweetalige Brussel naar Vlaams-Brabant?

Hoe kom je daar bij? Daar had ik zelfs nog nooit aan gedacht. Jongens toch! Neen! Zolang ik voor het VAF werk heb ik nog nooit te maken gekregen met Vlaams-nationalisme. Trouwens, ik ben tweetalig opgevoed en heb altijd geleefd en gewerkt in Wallonië, Vlaanderen en Brussel. Anciaux weet dat ook. Maar dat soort argumenten zijn vanuit het beleid nooit voorgeschreven. Nooit.

Voor het VAF is dat ook totaal geen issue: de Wildcards zijn Vlaams domein. Kijk, tussen Wallonië en Vlaanderen is er een zeker mentaliteitsverschil op cultureel vlak, een soort ‘federalisme du separatisme’. Wij werken samen met de Franstaligen zoals we samenwerken met de Nederlanders. Daarover palaveren heeft geen zin. We moeten samenwerken, dat is de enige manier om geld los te krijgen. De pers leeft en teert op dat soort conflicten, daarom spreek ik er ook niet vaak mee (lacht). Ik wil werken in een winning mood. Speaking of a winning mood, je kan toch niet ontkennen dat de Vlaamse film momenteel in de lift zit?

Die ‘Nieuwe Vlaamse Film’ is toch eerder gericht op de binnenlandse markt dan op het buitenland?

Totaal niet akkoord. Neem nu Das Leben der Anderen. Is dat een dure film? Nee. Het enige dure eraan was het scenarioschrijven! Een ander voorbeeld: Goodbye Lenin. Of die Roemeense Gouden Palm winnaar, 4 Months, Three Weeks and Two Days. Duur? Neen, maar wel een inventief script. De film zelf is met een klein budget gemaakt. Ben X, gemaakt voor 1,3 miljoen: is dat niets voor het buitenland misschien? Een ander succesvol Belgisch voorbeeld is Toto le Heros van Jaco Van Dormael, die ik zelf nog mee geproduceerd heb (net als van Dormael's kortfilms overigens).

Die voorbeelden zijn veel minder mainstream dan de meeste Vlaamse films.

Toch moeten er ook mainstream films zijn voor de Belgische cinema. De Hel van Tanger bijvoorbeeld, of De Indringer. Daar is een markt voor, dat moeten we respecteren. Daarom is ons probleem eigenlijk een luxeprobleem. De Franstaligen hebben geen interne markt, dus ze moeten wel voor het buitenland werken. Het is hun enige kans. Wij hebben die markt wel, dus moeten we verscheurende keuzes maken. Als filmmaker op de Europese markt mikken, is als op de lotto spelen. De interne markt kun je nog sturen, de buitenlandse niet. Word je in het buitenland erkend maar niet in het binnenland, dan val je tussen twee stoelen in en blijft je toekomst heel onzeker. Met het VAF willen we dus vooral die interne markt bedienen. Wie goed bezig is, moet de kans krijgen om films te maken. Met de infrastructuur van een interne markt heb je een basis waarmee je een superstructuur kunt creëren voor moeilijkere films. De kansen voor gedurfde films worden groter als je de basis breed maakt. En het VAF wil juist die basis versterken.

Ondertussen scoren de Vlaamse kortfilms internationaal veel meer dan de langspeelfilms.

Voor mij is dat de logische gang van zaken, van kort naar lang. We wachten dus vol ongeduld op goede dossiers van talentvolle kortfilmmakers. Maar er is niet alleen nieuw talent. De tweede films van mensen als Dorothée Van den Berghe of Patrice Toye moeten ook gemaakt worden. Om Fien Troch of Nic Balthazar niet te vergeten.

We dromen allemaal van erkenning in binnen- en buitenland, maar zo’n talenten zijn zeldzaam. Daarvoor moet je tegelijk heel persoonlijk te werk gaan en kunnen communiceren naar een groot publiek. Cinematografisch talent hebben maar ook heel veel wilskracht en doorzettingsvermogen. Je mag niet te teergevoelig zijn, je moet beseffen dat je zult afzien, je moet afwijzingen kunnen incasseren. Ik vergelijk het altijd met Formule 1 – piloten: er zijn twintig plaatsen, punt. Film is een moeilijk vak!

Jan Sulmont en Ils Huygens

Jan Sulmont

BIO Pierre Drouot

Pierre Drouot is ongetwijfeld de meest ervaren rot in het Belgische filmlandschap. De man was niet alleen producent van Jaco van Dormaels Toto le héros en Harry Kümels Les Lèvres Rouges/Daughters of Darkness -en coscenarist van die laatste film-, maar regisseerde samen met Paul Collet ook de soft-erotische sixties successen L?étreinte en Louisa, een woord van liefde, net zoals het meer psychologische Dood van een non.

Drouot is ex-voorzitter van de Vlaamse filmproducentenbond en medeoprichter van het RITS. In november 2005 volgde hij Luckas Vander Taelen op als indendant van het Vlaams Audiovisueel Fonds.

Films & artikels