Dé referentie voor kortfilm

Interview met Micha Wald

“Een film draaien moet een pijnlijk en moeilijk proces zijn”

Micha Wald is de jonge Belgische regisseur die met zijn succesvolle kortfilm Alice et Moi de Petit Rail d’Or voor beste kortfilm won op Cannes 2004. We interviewden de jonge dertiger aan de vooravond van zijn vertrek naar Cannes, waar zijn eerste langspeler Voleurs des Chevaux geselecteerd stond voor de Semaine de la Critique. De film is momenteel ook te bekijken op het Europees Filmfestival van Brussel. Joodse families, het harde labeur van de filmstiel en natuurlijk Cannes passeerden de revue: the glitter and the gutter...


Wat heeft het succes van Alice et Moi en de Rail d’or voor je betekent?
Alice et Moi heeft natuurlijk veel deuren geopend, maar heeft me vooral de kans gegeven veel te reizen door de festivals. Ik denk wel op 101 festivals geweest te zijn. Mijn langspeelfilm is er echter vooral gekomen door het scenario, ik weet niet of die kortfilm er veel mee te maken heeft gehad. Er bestaat wel zoiets als een kleine fanclub van Alice et Moi, die wel benieuwd was naar mijn volgende werk.

Dus je selectie dit jaar heeft niets te maken met de prijs die je er al won?
(lacht en gooit armen vragend in de lucht)
Tja, die selectie op Cannes werkt volgens rare ondoorgrondelijke principes. In de selectie van Semaine de la Critique zitten heel andere films dan de mijne, dus er is niet echt een lijn in terug te vinden.

En wat verwacht je ervan?
Van Cannes mag je niet te veel verwachten, die prijzen zijn toch niet controleerbaar en vaak zijn ze het resultaat van compromissen. Het feit dat we op Cannes staan is op zich al een prijs. We gaan vooral Europese coproducenten ontmoeten voor mijn volgende film.

Stel dat ze je een dikke portefeuille aanbieden om naar Hollywood te gaan...
Natuurlijk ga ik dan! Als je uit Amerika terugkeert, kan je hier alles doen. Ik heb scenario’s klaarliggen die morgen zouden gedraaid kunnen worden, maar wel 15 miljoen euro kosten. Daar zitten twee science fiction films tussen, maar ik besef wel dat ik die hier nooit zal kunnen maken, of misschien wel maar dan binnen vijftien jaar. Voleurs de Chevaux was eigenlijk ‘een kleine grote film’, want een budget van 3 miljoen euro is toch niet niets. Mijn volgende film wordt veel kleinschaliger met een kleine ploeg en video. Het wordt een soort herwerking van het scenario van Alice et Moi. De bedoeling is dat de film begin 2009 uitkomt, net op tijd voor Cannes 2009...ik zou beter een abonnement nemen! (lacht)

Je bent dit jaar de enige Belgische regisseur die geselecteerd is op Cannes. Bestaat er zoiets als een herkenbare Belgische cinema?
Nee, helemaal niet. Het enige gemeenschappelijke punt dat ik zie is de vrije ‘toon’, maar er is niet echt sprake van een verbondenheid binnen een school of mode. Het voordeel in België ten opzichte van Frankrijk is dat we niet door televisie geformatteerd zijn. We hangen niet af van een Canal+ of Tele2, waardoor er meer mogelijkheiden bestaan om gedurfde en vrije projecten te filmen. Dat is de reden waarom de Belgische cinema het zo goed stelt, zo origineel en interessant is.

Niet echt de perceptie die ik heb...
Ok, op het vlak van publiekscijfers hebben we wel een probleem, maar voor een klein land dat te vergelijken valt met Portugal, Griekenland, Montreal of Italië, hebben we toch altijd een sterke aanwezigheid op Berlijn, Cannes of Venetië. En Vlaamse films trekken soms 1 miljoen bezoekers, iets waarbij Franstalige films in België alleen maar het nakijken hebben. Misschien dat we wel minder rekening houden met winst en return dan in Vlaanderen.

Net als bij Alice et Moi, draait ook Voleurs de Chevaux over familierelaties, vanwaar die fascinatie?
In Voleurs gaat het inderdaad over de relaties tussen vier broers, twee kozakken en twee paardendieven. We waren zelf met zijn vieren thuis en ik had een sterke band met mijn jongere broer. Daarom ken ik zelf zeer goed de mooie, maar ook de donkere kant aan zo’n broederrelatie, met alle jaloezie, frustratie, concurrentie en bedrog van dien. Het is een heel bijbels en ook universeel thema met veel dramatisch potentieel.

De productiefoto’s doen mij wat denken aan de prachtige Joodse film Moi Ivan, Toi Abraham.
Wel dat is inderdaad een van de twee films die ik als voorbereiding aan de crew toonde, naast The Duellists van Ridley Scott en Dersou Ouzala van Kurasawa. Ook bij de vertoning op la Semaine de la Critique werd al de opmerking gemaakt. Voleurs de Chevaux gaat wel niet meer over joden, maar over kozakken en zigeuners. Anderzijds blijft het familieverhaal wel een typisch ingrediënt uit joodse films en boeken. Ik denk dat Voleurs wel meer actie bevat dan Moi Ivan. Mijn film is nerveuzer en dynamischer, terwijl Moi Ivan veel esthetischer is, en een theatrale pracht uitstraalt die aan schilderijen doet denken.

Het lijkt me wel geen evidente keuze om als eerste langspeler een historische fictiefilm te maken.
Wat me net zo interesseerde aan Moi Ivan was dat ongedefinieerde verleden. Voor Voleurs ben ik dus helemaal niet op zoek gegaan naar een historische authenticiteit. Het is meer een interpretatie dan een reconstructie. Ik wou dat het een moderne film werd die we ook vandaag kunnen bekijken, zonder een overduidelijke connotatie van de tijd waarin het zich afspeelt. Ik hou erg van de kostuums en van het decor van Moi Ivan. Er zitten daar echt gedurfde zaken bij, zoals personages die met moderne t-shirts rondlopen tussen de historische kostuums.

Het filmen van de gevechten was ook wel zwaar. Ik had dat nog nooit gedaan en werkte samen met een wapenmeester die heel andere ideeën had. De gevechtsscènes van Kurosawa zaten in mijn achterhoofd: weinig decoupage, een breed plan en respect voor de duur van de actie. Die wapenmeester had echter de Taiwanese stijl voor ogen: veel montage en voor elke slag of stoot een nieuwe cut. Hij zei dat wat wij wilden veel meer voorbereidende training vereiste. Feit was dat we geen gebruik konden maken van dubbelacteurs of stuntmannen. Uiteindelijk hebben we een compromis gevonden.

Ben je tevreden met het resultaat?
Nu ben ik wel blij met het resultaat. Er waren wel harde tijden waarbij ik soms dacht dat het niet meer ging lukken. Tussen de opname -en montageperiode had ik maar een week, wat negen maanden non-stop werken betekende. Na een eind kan je gewoon niet meer, zie je alleen nog fouten. De film die je in je hoofd had, wordt het toch nooit. Op een bepaald moment gaat de film een eigen leven leiden zonder dat je dat nog kan controleren. Het is bijvoorbeeld een veel rauwere prent geworden dan ik had gedacht, maar daar hou ik wel van.

Welke fase van de filmproductie film ligt je het beste? Wanneer kan je het meest je ding doen?
Bij het uitschrijven van het scenario, heb je uiteraard de meeste vrijheid en kan je nog alle richtingen uit. Aan de andere kant is het net hierdoor niet de meest gemakkelijke periode. Ik verkies wel deze periode, hoewel het ook eenzaam is en je gedisciplineerd moet kunnen zijn. De periode die daarop volgt, is heel opwindend. De set wordt opgebouwd, mensen geraken betrokken, het geld begint binnen te komen...Een film maken is een zwart gat: in het begin is alles mogelijk, daarna begint het steeds meer te vernauwen. De opnames waren zeer slopend voor de crew. Ik hoop dat dat zichtbaar is in de film. Waarschijnlijk is het noodzakelijk dat het een pijnlijk en moeilijk proces is, anders krijg je middelmatige films. Ik ben het meest tevreden over de films waarvoor ik heb moeten vechten. Een film draaien betekent meestal een opeenvolging van problemen die opgelost moeten worden, dus leuk is anders. Anderzijds waren er magische momenten tussen de acteurs, die zeer snel in de huid van de personages gekropen zijn. Maar! Eigenlijk is montage nog het ergste van al. Je realiseert je dat het totaal niet de film geworden is die je voor ogen had. Hierna kan je beginnen rondreizen en promotie maken. Ik vind dat wel leuk, maar kijk er nu wel al uit om aan het volgende project te beginnen.

Sarah Késenne

Gerelateerd