Lichting KASK 2024-2025

© Les enfants ont des oreilles (Kumail Gasiewski, 2025)
© Les enfants ont des oreilles (Kumail Gasiewski, 2025)
03.12.2025

Lichting KASK 2024-2025

In het multidisciplinaire microklimaat van KASK School of Arts in Gent ontspruit elk jaar opnieuw een uiteenlopende groep filmmakers en audiovisuele kunstenaars. Dit is een selectie van de masterproeven waarmee de lichting  2024-2025 afzwaait.  

In Les enfants ont des oreilles keert Kumail Syed terug naar de Brusselse Marollen, de wijk waar hij opgroeide maar die hij uiteindelijk de rug toekeerde. Kumail berouwt de manier waarop hij zich distantieerde van zijn milieu en zijn familie, en vertelt in voice-over hoe het leven was in een omgeving waar hij geen deel van wilde zijn. Hoewel zijn verhaal vertrekt vanuit het autobiografische, richt Kumail zijn blik al gauw op de bredere wijk,  met verschillende bewoners die op hun beurt een eigen verhaal vertellen.

Waar het makkelijk zou zijn om met voorbedachten rade een film te bouwen rond een persoonlijk gevoel van spijt en dat te laten aansluiten bij je eigen perspectief, slaagt Kumail er in om zijn zoektocht ook echt een zoektocht te houden. Nieuwsgierig en bereid tot ongemak onderzoekt hij wat het betekent om deel te zijn van een arbeidersgemeenschap, op een plek met een lange geschiedenis van armoede en marginalisatie. Les enfants ont des oreilles is dichterlijk maar daarom niet minder transparant, op het moment dat Syed met zijn moeder in gesprek gaat zelfs op het pijnlijke af, want het schuurt om aan de zijlijn van dit moment te staan. De troost? Een warme blik die altijd de boventoon blijft voeren. 

Net als Syed, keert ook Raouf Moussa terug naar bekend territorium, al lijkt hij wel een grotere afstand in te bouwen. Moussa ontgroeit  zijn persoonlijke overpeinzingen en stelt de grote vragen die iedereen aangaan. In het filmessay As Far as We Imagine onderzoekt hij relaties tussen ruimtes onderling, tussen mens en plaats en ook de afwezigheid van een plek. De filmmaker onderneemt daarmee een persoonlijke zoektocht, langs schilderijen, via wetenschap, en geschiedenis. Totdat hij halverwege met de handen het zand in duikt en een ruimte tastbaar maakt. Kan film hem helpen om verbeelding en realiteit samen te brengen? Kan hij een nieuwe ruimte ontwikkelen en invullen? 

Moussa betrekt de kijker in dat vraagstuk en laat die mee staren naar eerst de grote open lucht en vervolgens de kleine verkavelde bouwgronden. Zijn filmische ruimte krijgt vorm en textuur via simulaties, projecties op koepels en zandhopen, oude schilderijen van een vaderland, persoonlijke herinneringen en recente technologische geschiedenis. Benieuwd hoe de maker die ruimte in volgend werk weet uit te diepen.

In een heel andere, erg tastbare vorm, stelt Arthur Steenhoudt een kleine wereld voor. Steenhoudt is een zeer getalenteerd tekenaar, die duidelijk al eens naar vroege Duitse expressionistische films en het werk van James Ensor keek. Voor zijn stop-motionfilm Le marquis van de maan schetst hij kostuums voor zelfverzonnen figuren. Een sinistere sfeer omhult hen als nevel. Hij slaagt er daarna in om ze ook echt tot leven te wekken, met heel klassieke materialen: papier-maché, stof, acrylverf. De donkere, eenvoudige achtergrond zorgt ervoor dat zijn minutieus uitgewerkte, handgemaakte poppen alle ruimte en aandacht krijgen. Ze lijken misschien uit een andere wereld te komen maar genieten toch van erg menselijke roesmiddelen. 

In het verhaal dat Steenhoudt vertelt verschijnt een grote boze wolf als een soort metafoor voor verslaving aan alcohol. Te veel drinken is slecht. Dat is geen complex idee, maar in de speelse, muzikale toon van de maker komt de boodschap aan. Je verliest door laveloos drinken niet alleen materiële zaken in het praktische leven, maar ook nieuwsgierigheid en verbeelding. Je hoort de muziek niet meer die in de wereld weerklinkt — die nochtans zeer mooi gemixt is in deze korte maar meeslepende film.

© Cold Bathroom (Eleni Aerts, 2025)
© Cold Bathroom (Eleni Aerts, 2025)

“Pfff, echt niet oké,” grapt Camille als haar grote zus met de voeten op haar knuffelbeesten komt  zitten. Ze zitten samen op bed, verlicht door de ochtend die naar binnen schijnt. Charlotte klapt een laptop open en toont de video die haar ex-vriendje zeven jaar geleden van haar maakte, dezelfde zeven jaar als er tussen de twee zussen zit. Ze waarschuwt: er volgen heftige beelden.

Binnen hun intieme microkosmos bespreken de twee zussen de complexe mechanieken waardoor grenzen worden overschreden, de misleidende glimlach die voortkomt uit ongemak, de verfoeilijke minachting waarmee iemand zich iemand anders toeëigent. Door het maken van de film te gebruiken als drijfveer voor het gesprek, wordt deze ooit zo in het geding gebrachte macht toegeëigend; de camera wordt onderling doorgegeven en daarmee ook de rol van maker en onderwerp, van de zichtbare en de onzichtbare. Charlotte Jodogne’s Comme une histoire draait uiteindelijk niet om de gebeurtenis uit de video, maar om de band tussen de twee zussen, die met elkaar grappen en afdwalen, uilen nadoen en samen besluiten dat het overwicht van herinneringen kan afnemen wanneer je die door de zalvende werking van de tijd kan bekijken als een verhaal. 

In grove tekeningen met zwarte inkt en donkergrijs potlood creëert Eleni Aerts een wilde — en zoals de titel doet vermoeden — redelijk koude wereld. Als een vrouw in de badkamer een kikker in haar lichaam ontdekt komt er plots kleur in de animatiefilm: met groene en roze texturen van oliekrijt, haaks op die eerst strenge inkt en het droge potlood, schetst Aerts een onthutsend gevoel van lichamelijkheid. De kikker gaat zijn eigen gang: hij smeekt en gaat tekeer, groeit uit tot een reus die likt, wurgt, doorslikt en jawel… zijn host weer uitpoept. 

Maar eigenlijk verbeeldt Cold Bathroom geen universum waarin letterlijke of narratieve wetten gelden. De film is een ongetemde kijk op een parasiet in een lichaam, met lijnen en vormen die uit hun voegen barsten. De soundscape volgt eenzelfde baldadige en bombastische logica. De maker schetst in korte tijd een onstuimige wereld die intuïtief doet denken aan de Braziliaanse kunststroming Antropofago. Waar het kannibalisme bij Aerts precies een metafoor voor is, dat moet nog blijken.

Ook de tieners in Chlorine zitten ongemakkelijk in hun lijf. Met dikke zwarte inktlijnen vertelt Zayd Hamzane een middelbare schoolverhaal waarin pubers zichzelf ontdekken, ongemakkelijk dicht bij elkaar. Niemand denkt met plezier terug aan zwemlessen met klasgenoten. Somewhere between limbo and reincarnation, de ondertitel van de film, is de vinger op die tienerwonde. De beeldtaal combineert het internet van begin 2000 met anime en komt zo tot een zeer levendige droom, misschien eerder ergens tussen nachtmerrie en fantasie te plaatsen. Zo komen schildertechnieken naast en over oude gaming-esthetiek en kijkdoos-elementen te liggen. Ook in de typografie is er veel ruimte voor spel en variatie — al is de daarin gebruikte Engelse taal daar nogal zwak.  Maar ook dat valt te rijmen met het wakker schrikkende hoofd van een late tiener die plots het hele leven over zich heen krijgt.

Nachtmerries en fantasieën nemen wel vaker vreemde vormen aan: Zo wordt het hoofdpersonage in Camille Vlaemyncks masterfilm Meneer Acide getergd door ontelbare citroenen. Terwijl ze probeert deze uit haar leven te verbannen, dringt een demonisch wezen  haar huis binnen

Camille schetst een parabel over obsessie, waar naar eigen zeggen de citroen door zijn cirkelvorm met hoogtepunten symbool voor staat. Studies over de gele vrucht flitsen voorbij en geen partje blijft onontdekt, zo rolt er een over de grond richting een grommende hond. De vrouw krast bruusk elke citroen uit haar receptenboek. Waar het logisch is om krampachtig korte metten met je fixatie te maken, werkt dit helaas averechts. Hoe harder het hoofdpersonage in Meneer Acide haar best doet om zich te ontdoen van alles wat ook maar lijkt op een citroen, hoe meer die lijkt op te duiken. De animatiestijl werkt benauwend en vervreemdend; reeksen close ups ontnemen elk gevoel van oriëntatie. De vraag is waar dit alles zich afspeelt; in haar keuken  of in een hoofd geplaagd door tunnelvisie?

Ook in Lender Vandevelde’s A Story in White is alles mogelijk: mensenhanden masseren sneeuw en stop-motion vermengt moeiteloos met live-action. Daardoor komt een sneeuwpop  al snel tot leven die de kijker met schorre stem en kinderlijke sprookjestaal door haar witte universum leidt.

De film doet iets knaps door de eerste minuten enkel het knisperende sneeuwlandschap te tonen. Als twee vrouwelijke toeristen hun intrede doen, voelt deze menselijke verschijning vreemd, haast buitenaards aan. De mens is duidelijk niks meer dan een gast. “Only humans can be loud. And we like to show them our butt, it’s a silent protest”, grapt de sneeuwpop. Toch blijft de film ver weg van een vijandige dichotomie tussen mens en natuur. In plaats daarvan spreken de vrouwen en de sneeuw dezelfde dichterlijke taal. In een mooie dialoog verwoorden de vrouwen waardering voor elkaar, en tegelijk neemt de sneeuwpop een minder witte substantie aan: ze wordt water. A Story in White omvat de tragische realiteit van de smeltende aarde, in de vorm van een speels modern sprookje. 

© praten met olifanten (Juul Schöpping, 2025)
© praten met olifanten (Juul Schöpping, 2025)

Mon Dewulfs Far From Beyrouth is vormelijk misschien weinig vernieuwend, maar bewijst meteen dat dit niet nodig is om een aangrijpend verhaal te verbeelden. De camera volgt twee mensen die elkaars warmte en troost voortdurend voelen, terwijl ze fysiek niet verder van elkaar verwijderd kunnen zijn: de ene zit in Beiroet, de andere in Brussel. In België is het leven rustig, drieduizend kilometer verderop vallen er Israëlische bommen op appartementsgebouwen. Daarom verhuist Karim van de ene naar de andere familietak. Zijn familie wenst dat hij zo snel mogelijk naar België terugkeert, waar hij veilig is, waar ook een kat op hem wacht. Tussen Karim en Mon stijgt angst, gemis, gebrek aan woorden en daarin is het ritme van de montage erg precies: Dewulf snijdt exact een beeld door wanneer de spanning het scherpst is. De filmmaker vertelt tussen de lijnen van het kleine verhaal over de grote spanningen die de wereld op dit moment teisteren en doet dat zeer verfijnd.

In Aaron Denolfs tactiele Housekeeper bewegen vader Hector en zijn gezin zich door precaire tussenruimtes. Werkend en slapend in een hotel, wachten op een antwoord van de verzekering, lijken ze overgeleverd te zijn aan de grillen van de arbeids- en woningmarkt. De camera van Grimm Vandekerckhove kiest kaders weg van het evenement: we zien het ruwe tapijt van de hotelkamer terwijl de vader in de marge van het beeld het bed opmaakt. Of de weerspiegeling in de ruit over een nachtelijke stad, met op de achtergrond Hector die zijn dochter in bed stopt. 

Al bij de eerste nacht die valt, spreidt zich een dromerigheid uit over de film. Vooral het eerste onderdeel van de slaap, het knikkebollen, lijkt constant te lonken. Op het einde wint de slaap het van de werkelijkheid, en verbeelden flares van pellicule die over het beeld vloeien, het indommelen. Leven is slaap en slaap is leven, Hector en zijn gezin bevinden zich precies tussen de twee in. Denolf maakte een zachte film waarin de kleine schaal van het plot het geheel ten goede komt.  

Een strandwandeling, banale treinrit gesprekken, slapeloze nachten: Juul Schöpping rijgt al voor de film haar eerste halte bereikt, separate situaties aan elkaar. Hierop volgt de titel, praten met olifanten, die het portaal vormt naar een langverwachte slaap, gevuld met kindertekeningen. “Waar zijn de dieren uit mijn tekeningen?”, vraagt de filmmaker zich af. “Kan ik nog terug naar die wereld?” Eenmaal in de dierentuin openen nieuwe deuren: via de fantasie van kinderen sluipen we het brein van de dieren in en dalen we alsmaar verder af naar de ogenschijnlijk verborgen tunnels van het dierenrijk. De tekening van een olifant brengt ons naar een echte, levende variant, wiens slurf ons vervolgens transporteert naar een onderwaterwereld. Praten met olifanten is op zoek naar een andere, eerder viscerale logica om de wereld te begrijpen, waarin — als we goed luisteren — dierengeluiden aanspoelen als golven.

De gesloten habitat van jonge mannen onder elkaar breekt veelal wanneer die door een buitenstaander bekeken wordt. Dries Marchal geeft met zijn genre tartende masterproef Mannen op boten een zeldzame inkijk in deze anders hermetische cultuur.

Maar liefst zes verhaallijnen ontvouwen zich rond de geheimzinnige dood van Thomas, gespeeld door Marchal zelf, die we ontmoeten als verdronken lichaam en later luid brallend de straten onveilig zien maken met zijn maten. Twee van zijn vrienden gaan op zoek naar een plek om zijn as uit te strooien en kibbelen ondertussen Beckettiaans over wat een metafoor nu precies is, terwijl ergens in een huis een jongen door een geest wordt bezocht. In die veelheid vermijdt Marchal vaagheid door toonvast iets te vertellen over vriendschap en verlies. Met een breed arsenaal aan narratieve technieken vindt deze jonge maker een originele stem: zowel fijngevoelig als luidruchtig, maar ook even precies als chaotisch. Mannen op boten weet zo een adolescentie in al zijn kleuren te vatten. 

Cold Bathroom van Eleni Aerts, Comme une histoire van Charlotte Jodogne en As Far As We Imagine van Raouf Moussa werden eerder deze week bekroond met respectievelijk de VAF Wildcard Animatie, VAF Wildcard Documentaire en VAF Wildcard Filmlab. Kumail Syeds Les enfants ont des oreilles kreeg een Booster Card binnen de categorie Documentaire.